Small talk

Mijn fysiotherapeut draagt me over aan zijn stagiair, die beneden in de sportzaal een paar oefeningen met me gaat doen. Hij kijkt op een blaadje waar de oefeningen op staan afgebeeld.

“Even spieken, je mag crunches doen, dus om de beurt je linkerbeen en rechterbeen naar voren.”
Ik concentreer me op de crunches en staar recht voor me uit. De stagiair tuurt naar buiten. “Zo, volgens mij is het behoorlijk warm buiten, of niet?”
“Ja”, zeg ik, waarbij ik lucht door mijn neus laat ontsnappen omdat ik niet wil laten merken dat ik al een beetje moet hijgen bij deze oefening.
“Had je vrij vandaag, of niet?”, vraagt hij.
“Nee, ik heb vanochtend gewerkt. Maar ik freelance, dus ik kan zelf mijn tijd bepalen.”
“Oeh, dat is wel heel fijn. Kun je ook nog lekker van het weertje genieten.”
“Ja, zeker.” Weer met ingehouden adem.
“Even spieken.” Hij kijkt opnieuw op het blaadje. “Je mag nu planken. Die oefening ken je?”
Ik knik en ga in de juiste positie op de grond liggen. De oefening vergt veel inspanning.
“Mooi!”, zegt de stagiair. “Héél mooi.”
Ik vraag me af hoe mooi je kunt planken.
“En morgen? Heb je dan ook lekker vrij?”
“Nee”, antwoord ik nu hijgend. “Morgen werken.”
“En je schreef teksten voor… wat was het ook alweer? Dat sportevent toch?”
“Klopt.”
“En ga je ook nog even spieken daar?”
“Er valt niks te spieken, het volgende event is pas in september.”
“Ja, precies.”
Hij kijkt op zijn blaadje voor tientallen seconden, en denkt na zoals je in striptekeningen mensen ziet nadenken: de wijsvinger op de mond en de blik naar boven.
“Je mag even op de grond gaan liggen, en dan til je steeds één been omhoog. Dan gaan we je core wat steviger maken.”
“Doe ik het zo goed?” vraag ik. De oefening lijkt wat simpel.
“Uitstekend zelfs!” zegt hij. “Kijk, die spier zegt eigenlijk: ‘Weet je wat, ik heb even geen zin meer. Bekijk het maar; ik doe even helemaal niets.’ En daardoor krijg je die pijn.”
Er valt een stilte, maar niet voor lang.
“En heb je straks ook lekker vakantie?”
“Als freelancer heb je het soms druk en soms rustiger, dus dat zijn dan een beetje de vakanties.”
“Ja, precies. Maar je gaat niet nog naar een warm land ofzo?”
“Naar Barcelona ga ik.”
“Zo! Toe maar! Dat is wel héél erg lekker, zeg. Barcelona! Me dunkt!”
Ik glimlach. We zijn klaar.

“Je mag weer lekker naar buiten! Ik zie je volgende week!”

De reservering

Per toeval stuitte ik op een paar zeer kwaadaardige recensies over een Italiaans restaurant in de Pijp. Ik las ze op iens. Elke recensie kwam ongeveer op hetzelfde neer: het eten was verrukkelijk bij L’angoletto maar de service abominabel. Mensen waren geschoffeerd door de eigenaar of in sommige gevallen zelfs gesommeerd het pand te verlaten nadat ze klaagden over te rood vlees. Iets wat me enorm triggerde. Mijn vriendinnen ook; ik mocht reserveren.

Op mijn iPhone zocht ik het restaurant op en klikte direct op ‘Bel’.
“Pronto!”, klonk er aan de andere kant van de lijn.
“Hallo, u spreekt met Stephanie, ik wil graag reserveren voor komende vrijdag voor 4 personen.”
“Parla Italiano!!”
Wat verwachtte de man? Dat iedere gast het Italiaans machtig is? Ik besloot over te gaan op Engels.
“Can I make a reservation for 4 persons this Friday?”
“A che ora?” vervolgde hij.
Ik antwoordde dat ik graag ‘at 8 o’clock’ wilde komen.
“Fino a Venerdì!” en hij hing op zonder dat ik nog iets kon zeggen.

Via what’s app maakte ik de vriendinnen deelgenoot: “Zelfs aan de telefoon is-ie superbot. Hij vroeg of ik Italiaans wilde spreken!” Idioot vonden we het, maar het beloofde veel.
Het was een warme zomeravond, de meeste gasten zaten buiten, ook omdat binnen maar zo’n 6 tafels stonden. Ik liep naar binnen om me te melden voor de reservering.
“We reserveren niet voor minder dan 6 personen”, zei de serveerster. Dat leek me sterk, zei ik. “Ik heb gisteren gebeld en het was in orde.”
“Wie had je aan de lijn, een man of een vrouw?”
“Een man”, zei ik, “Hij sprak Italiaans.”
“Dat moet de eigenaar zijn geweest”, antwoordde het meisje, “Maar hij zal nooit een reservering aannemen voor 4 personen.”

Dit getuigde van wel zo’n enorme botheid, dat ik me afvroeg of we dit wel moesten willen. Ik liep naar de anderen die buiten hoopvol stonden te wachten en deelde mee dat er geen reservering was genoteerd. Alle vier boos. Het meisje kwam op ons af lopen voor nadere uitleg: “Het spijt me echt, maar we hebben niets doorgekregen en ik heb over 2 uur pas weer plek. Je weet zeker dat je niet ergens anders hebt gereserveerd?”
Alsof! Ik zei dat ik niet gek was en probeerde kalm te antwoorden dat we ergens anders gingen eten. Mijn onderlip trilde daarbij.
Elk restaurant erna werd met grote teleurstelling bekeken, maar we beseften snel dat we blij mochten zijn als we überhaupt nog ergens plek kregen op een avond als deze. Buiten.

Terwijl de drie zich uitlieten over wat voor een K-tent het was en hoe we wraak gingen nemen
– er werden plannen gemaakt om vanaf nu elke vrijdag voor minstens 12 personen te reserveren onder een valse naam – keek ik heimelijk op mijn iPhone en toetste nogmaals de naam van het restaurant op Google in. En toen zag ik waar ik blindelings op had geklikt: L’angoletto. Piazza Rondanini in Rome.

Alle woede weg.

Erna probeerde ik met gespeelde furie weer mee te doen in het gesprek met de rest.
“Ja, echt bélachelijk!”