XAXA LOVES YOU

Dit stuk verscheen in Hard gras 122.

Het leek Henk Spaan een goed idee als ik ging eten bij restaurant Xaxa, het restaurant van Yolanthe en Wesley Sneijder. Het lag op Ibiza, een eiland dat ik kende als tweede thuis van Wendy van Dijk en haar man Erland Galjaard, het tweede thuis van Patty Brard, van John Ewbank, en van Yolanthe. Ik was er nooit geweest en had dat graag zo willen houden.
Als ik er dan toch heen moest, maakte ik er maar meteen een vijfdaags verblijf van. Ik zag mezelf al vijf dagen lang op een bedje aan zee liggen. Ik wist één iemand die ook geen moeite had met alleen liggen en lezen: mijn moeder.
Ik mailde Spaan dat ik mijn moeder meenam. Binnen een minuut stuurde hij terug: ‘Maak een personage van haar! En begin vanaf Schiphol.’

Ik las me in over XaXa. Je sprak het uit als TsjaTsja.
Xess Xava (Tsjess Tsjava) het zoontje van Yolanthe en Wesley, noemde zichzelf namelijk XaXa. Het idee voor een restaurant was ontsproten aan het brein van Wesley. Het was altijd al een passie van hem, leerde ik in een item van RTL Boulevard. In hetzelfde item zei Yolanthe dat ze dagelijks in het restaurant aanwezig zou zijn, zeker als Wesley op trainingskamp moest. ‘Dat is natuurlijk ook de aantrekkingskracht,’ reageerde Bridget Maasland. Op Tripadvisor schreef iemand dat Wesley regelmatig zelf verse mojito’s stond te maken achter de bar. Er was live-entertainment en de bediening zou elke dag gekleed zijn in een ander thema.
Er was dus een kans dat we Wesley Sneijder een mojito zagen maken. Met het naderen van de reis werd het verlangen daarnaar steeds groter.
Ik belde naar het restaurant om te vragen of er elke avond live-entertainment was. De Nederlandse mevrouw aan de telefoon zei: ‘In principe is het iedere dag van maandag tot en met zondag.’
Ik zei dat ik op Instagram had gezien dat er danseressen waren. Klopte dat?
‘Klopt,’ zei ze. ‘Maar dat hadden we vorige zomer, dit jaar doen we iets minder heftig en iets meer klasse.’ Ze hadden nu alleen een Nederlandse volkszanger die tijdens het eten tussen de tafels zou doorlopen.
Ik reserveerde voor een vrijdagavond in september.

Een paar dagen voor vertrek appte ik mijn moeder dat ik zin had in ons tripje.
Ze had het gelezen, maar appte niks terug.
Een dag later appte ik opnieuw: ‘Nog 2 nachtjes, moek, zin in!’
Niks terug.
Een dag voor vertrek belde ze. Of ik een weegschaal had.
Het ging om de handbagage, die mocht maar tien kilo zijn in totaal. Dat had ze gelezen op de website van Transavia.
‘Mama, er pást niet eens tien kilo in een handbagagekoffer!’ zei ik. ‘Tenzij je flessen drank gaat meenemen.’
‘Oké,’ zei ze. ‘Weet ik dat.’
Ze was op van de zenuwen. ‘Reisefieber,’ zoals ze het zelf noemde. Ze was zo nerveus dat ze haar yogaklasje die ochtend had afgezegd. Ik had tot dan altijd gedacht dat yoga iets was waar je naartoe kon om te ontstressen.
Ze kwam aan in Amsterdam, we vlogen op een dinsdagmiddag. Ze zei als een van de eerste dingen: “Ik heb geen boek bij me. Was bang dat ik boven die tien kilo uitkwam.’
Ik probeerde kalm te blijven.
‘Geen boek?’ vroeg ik zo vriendelijk mogelijk. ‘Wat ga je dan doen als we op een bedje liggen?’
‘Mensen kijken.’
We namen de Uber naar Schiphol.
‘Jullie gaan lekker op vakantie?’ vroeg de Surinaamse chauffeur.
‘Ja! Naar Ibiza!’ zei mijn moeder.
Ik schaamde me voor onze bestemming. We leken de zoveelste Nederlanders die de kudde achterna gingen, alsof we niks anders hadden kunnen bedenken.
Hij reageerde beleefd. Ibiza leek hem mooi.
‘Dat hopen we,’ zei mijn moeder.
Ik voegde eraan toe dat we naar het rustigste gedeelte van het eiland gingen, het Noorden. Niet naar het feestgedeelte, waar alle BN’ers zich ophielden.

Aan het eind van de rit vroeg mijn moeder met de portemonnee in haar handen hoeveel de chauffeur van ons kreeg. Hij moest een lach onderdrukken. ‘Dit is Uber, mevrouw. Dat is al betaald.’
Ze mimede naar mij of we wel fooi moesten geven. Ik schudde van niet. ‘Kan ook via de app,’ zei ik. Weer een verbaasde blik.
Daarna naar de rij van Transavia.
Mijn moeder straalde. De stress leek weg; ze keek het monster nu recht in de bek.
‘Ik verheug me op mijn eerste glas wijn vanavond,’ zei ze en kneep even in mijn hand.
Achter ons schoven mensen aan in de rij. Een blonde vrouw met natuurlijk witte tanden, om en nabij 40, vroeg: ‘Mag ik iets vragen? Is dit de rij van Transavia?’
Mijn moeder: ‘Ja! Ibiza!’
‘Leuk! Ik Valencia,’ antwoordde de vrouw. Ze glimlachte hartelijk.
Ik tegen mijn moeder, toen we ons weer omdraaiden: ‘Niet iedereen in deze rij gaat naar Ibiza, hè. Dus dat hoef je er niet steeds bij te zeggen.’
‘O, pardon,’ zei ze.
De vrouw nam het voor haar op. ‘Vind het altijd leuk om te weten waar anderen naartoe gaan. En jullie hebben ook nog goed weer daar, toch?’
Mijn moeder knikte en lachte naar haar, toen een blik naar mij met opgetrokken wenkbrauw, waarbij ze me tot aan mijn tenen afkeurde.

Om half zeven ’s avonds zaten we aan de wijn in een restaurant vlakbij het hotel. We vonden het uitzicht fenomenaal, oranje rotsen in de avondzon, blauw water en witte zeilboten op een kalme zee.
Op de tweede dag lagen we in een rustige baai tussen enorme rotsen op een klein, smal strand. Er was geen bereik, geen wifi en maar één strandbarretje waar nacho’s met verse guacemole veertien euro kostte.
‘Ze weten dat we afhankelijk zijn van ze,’ zei mijn moeder, ‘maar we gaan lekker genieten.’
We huurden twee bedjes en een parasol. Bij de Ako op Schiphol had ik nog op de aankoop van een boek aangestuurd, maar ze hoefde niet. Ik keek eerst een uur rond voordat ik aan mijn boek begon. Het was een rustig strand, veel Spaanse mensen, de vrouwen topless. Er dreef maar één vrouw op een opblaasbare eenhoorn, die daar met moeite op was geklommen, de kont omhoog, het hoofd naar beneden. Het zorgde bij het publiek, alle mensen op een bedje, de handen achter het hoofd, voor een paar lachsalvo’s.
Sommige mensen hadden waterschoenen aan voor de stenen en schelpen die in het water lagen. De mensen die op blote voeten de zee in liepen hadden zichtbaar pijn. Ze wankelden met uitgestrekte armen om het evenwicht te behouden en trokken grimassen van afschuw. Het was verschrikkelijk om naar te kijken.
Ik begon aan mijn boek: Klokkendans van Anne Tyler. Vijf pagina’s en ik wist dat ik weer eens een goed boek te pakken had. Situaties waren minutieus beschreven, de dialogen realistisch, en toen de slappe lach op een van de eerste pagina’s werd beschreven, moest ik grinniken.
‘Mooi boek?’ vroeg mijn moeder.
‘Ja,’ zei ik. ‘Ze beschrijft hier de slappe lach van twee tieners, zo goed.’
Ik las de passage voor.
Mijn moeder vond het ook grappig.
Ik voelde me heel even schuldig dat ik weer in stilte verder las.
‘Die heeft mooie borsten, die vrouw,’ zei mijn moeder.
Ik keek op uit mijn boek. ‘Hm-m,’ reageerde ik bevestigend.
Ik las verder.
‘En dat meisje ook, daar, práchtig.’
Ik keek opnieuw op en humde.
Het mensen kijken kwam tot uiting in steeds meer dingen hardop benoemen.
‘Die man in het water heeft een heel groot litteken op zijn hoofd. Wat zou die hebben gehad?’
Ik deed alsof ik het niet hoorde.
‘Je kijkt niet,’ zei ze.
‘Mama, ik lees een boek.’
‘Pardon.’
Het was een hele tijd stil.
Toen zei ze: ‘In het water zijn twee mensen aan het vrijen.’
Dat was de druppel. Ik ging de zee in en zwom een eind van de kust af.

Toen ik terug kwam was ze mijn boek aan het lezen. Ze was vanaf het begin begonnen.
‘Ik ben op pagina 16, kunnen we daar iets tussenleggen?’
Was het serieus de bedoeling dat we samen één boek gingen lezen?
Ze knikte. ‘Ik lees het alleen als jij in zee ligt.’
Ik bedacht me daarna steeds twee keer voordat ik weer de zee in ging. Het was vergelijkbaar met een trui. Dat iemand –die geen trui bij zich had- je trui even wilde lenen en dat je hem bijna niet meer durfde terug te vragen als je het zelf koud kreeg.

Er gingen dagen voorbij van zwemmen, zonnen en samen één boek lezen. Het barretje had een rommelig, vies keukentje, maar ze maakten de allerlekkerste broodjes en salades als lunch.
Op donderdagavond aten we in restaurant Los Enamorados, recht tegenover het hotel. We kregen een tafel toegewezen, waar we met zijn tweeën aan dezelfde kant zaten, met uitzicht op witte boten en de horizon. Op de achtergrond Spaanse muziek.
Morgenavond zouden we bij TsjaTsja zitten met een Nederlandse volkszanger.
Mijn moeder tilde de versierde keramieken borden op. ‘Práchtig.’
De wijnglazen waren van dik, oranje glas met luchtbelletjes erin.
‘Smakelijke wijnglazen,’ vond ze.
De waterglazen werden opgetild en bekeken. ‘Leuk glas dit, ziet er meteen gezellig uit, hè.’
Mijn inktvis was heerlijk, mijn moeders kip erg smaakvol. Ze serveerden de aardappelschijven met zoutkorrels uit op hout. Dat ging ze thuis voortaan ook zo doen als haar vriendinnen kwamen eten.
De zonsondergang was er een die ook de Spaanse bediening niet vaak zag. Om beurten bleven de obers even staan om te kijken; er hing een feloranje, paarse streep in de lucht.
Mijn moeder draaide de waterfles nog eens rond. ‘Meteen feestelijk en zo simpel, twee van die citroenschijfjes met munt.’
Optimaal genieten.
Ik vroeg haar hoe ze dacht dat het interieur bij XaXa eruit zou zien.
Haar schouders zakten. ‘Alles wit denk ik. En iets met spiegels.’
Op de hotelkamer zag ik op Twitter dat Sneijder zijn afscheidswedstrijd had gespeeld en dat hij en Yolanthe in Nederland waren.
Ik appte Henk Spaan. ‘De kans dat Wesley morgen een mojito voor ons maakt lijkt me klein.’
‘Kon je niet weten,’ stuurde hij terug.
Mijn moeder stak haar teleurstelling niet onder stoelen of banken. ‘Hè, wat vervelend! Als we daar dan toch zijn wil ik die twee ook zien.’

De volgende dag zouden we om zes uur ’s avonds met onze blauwe Clio moeten vertrekken om op tijd bij XaXa te zijn. Het was een uur rijden vanaf het Noorden naar het Westen. In ons hoofd waren we druk met de planning voor overdag. Naar onze baai gaan was te veel gedoe. Ik wilde op tijd van het strand af om me mooi te maken: Henk Spaan had me gevraagd om mijn moeder veel foto’s te laten maken van mij aan tafel bij XaXa, voor in het blad.
‘Niet kauwend!’ had hij gewaarschuwd.
Wie er moest rijden lieten we bepalen door kop of munt. Ik won, zij moest rijden. De uitslag viel zwaar. ‘Naar dat kutrestaurant en dan geen wijn kunnen drinken. Nondepie.’
Ze protesteerde niet toen ik uiteindelijk zei dat ik heus wel zou rijden. We wilden net in de auto stappen, het was zes uur, toen ik telefoon kreeg. Het was XaXa. Het live-entertainment was afgeblazen. Ze vertelden het ons maar even -1,5 uur van tevoren- voor het geval dat we daar speciaal voor kwamen.
‘Hm, oké,’ zei ik. Gespeelde teleurstelling. De verwachtingen waren nu juist hooggespannen.
‘Ja, wij vinden het ook superjammer!’ reageerde het meisje.
Was de volkszanger ziek, wisten ze het daarom pas zo laat? We zouden het bij binnenkomst direct vragen.

XaXa lag halverwege een trap die naar het strand toe ging. Het was vrijdagavond half 8, er was niemand in het restaurant. De ingang was een witte, stenen boog die op zichzelf stond, met witte, doorschijnende gordijnen.
Ik had schroom om naar binnen te gaan.
‘Ach, kom,’ zei mijn moeder. ‘Ik heb trek.’
Ze had speciaal voor de gelegenheid haar beige gymschoenen verruild voor sandalen met een hakje. Ze zette er kleine, nerveuze stapjes door. Toen ik op weg naar de auto naast haar had gelopen, had ik heel hard moeten lachen toen ik haar van opzij bekeek. Ze wist meteen waarom.
‘Vind je me aandoenlijk?’ had ze gevraagd.
Ik had alleen kunnen knikken, in gebukte houding van het lachen.
Ze zag er erg chic uit: een onberispelijk witte, doorschijnende blouse, een beige broek, een okergele sjaal over haar schouder gedrapeerd, en dan die hakjes.
Ik droeg op mijn beurt een lichtblauwe blousejurk. ‘E-níg!’ had ze gezegd toen ik hem aandeed op de hotelkamer.
De valetparking, zoals in de RTL Boulevard-items werd beloofd, was er niet. We moesten zelf onze Clio parkeren.
We werden ontvangen door een jonge, Nederlandse gastvrouw in een kort, gouden jurkje met een split bij de borsten en Romeinse sandalen met de touwtjes tot aan de kuiten omgebonden. Ze wees ons een tafel aan de rand van het terras met uitzicht op zee. Naast onze tafel liepen mensen de trap op en af, in bikini of omgerolde handdoek. Op weg naar zee of naar de auto.
Ik vroeg naar het live-entertainment, was dat niet juist het hele concept van XaXa?
‘Klopt,’ antwoordde de vriendelijke gastvrouw. ‘Maar er is op Ibiza sinds kort een verbod opgelegd om geluid te maken boven de 55 decibel en onze zanger ging daar ver overheen.’
Ik refereerde aan vorig jaar. Toen hadden ze danseressen.
‘Klopt,’ zei ze weer. ‘Toen hadden we én dansacts én zangers én goocheltrucs, maar dat werd wat veel. Ook voor de gasten.’
Ze gaf ons de menukaart van een halve meter.
Alles was hoogglans wit, de stoelen en de tafels. Binnen een spiegelwand.
‘Ik zei het toch,’ zei mijn moeder. ‘Alles blinkie, blinkie.’
In een wit vaasje op tafel stond een roos. Ze tilde hem er even uit. ‘Kunststof. Vind ik altijd armoeiig.’
Er kwamen twee Nederlandse stellen binnen, rond de dertig. Ze begonnen meteen zichzelf te fotograferen met op de achtergrond het uitzicht van de zee. Eerst een foto van hun vieren, genomen door de Nederlandse gastvrouw, daarna namen de stellen van elkaar een foto en tot slot nam een van de mannen een foto van de twee vrouwen samen. Ze hadden bijna alle combinaties gehad.
Wij deden niet voor ze onder: ik had al vier foto’s van het restaurant gemaakt en van mijn moeder. Daarna vroeg ik haar een van mij te maken.
Ze maakte er een waarop het leek alsof ik zwarte wallen had. Ik had niet eens wallen.
‘Opnieuw, mama.’
Ze zuchtte. ‘Gaat dit de hele avond zo door?’
Ze nam de telefoon weer onderin vast, tussen duim en wijsvinger -het zag er erg instabiel uit- en duwde met de wijsvinger van haar andere hand op de fotoknop, haar ogen tot spleetjes samengeknepen.
De foto was weer niet goed, maar ik zei niks.
We bestelden twee glazen Wesley Sneijder-Chardonnay.
Ik vroeg aan de Spaanstalige gastvrouw –er stonden twee mensen in de bediening- of het hier ging om de lievelingswijn van Wesley Sneijder.
‘Yes,’ zei ze. ‘Would you like some bread with oil?’
Het hoe en waarom moesten we er waarschijnlijk zelf bij denken.
Een derde hoogglans witte tafel werd bezet door een stel met 3-jarig kind, het was half negen. De rest van het restaurant was leeg. De vrouw droeg een zwart T-shirt met de tekst Hotter than hell, de man een korte, strakke spijkerbroek met een omslag bij de pijpjes. Eronder zwarte Nike-schoenen. Hij klemde beide benen aan weerszijden om de stoelpoten en startte een gesprek via Facetime. Het werd niet duidelijk tegen wie hij vertelde dat ze bij Wesley en Yolanthe zaten. Hij liet het restaurant zien.
De moeder was intussen bezig een film op de Ipad aan te zetten voor de kleine. Het kind blèrde.
‘Nor-máál doen!’ riep de moeder.
Het kind kreeg een pets op haar hand. Het blèren werd luider. Ze verhuisden naar binnen, waar niemand zat, weg van het terras.
Achter mij waren twee vriendinnen van begin twintig gaan zitten, de een blond, de ander donker. De een in een gouden glitterjurk, de ander een witte off-shoulder jurk. De haren met een krultang bewerkt, de bovenlippen opgespoten. Bij de blonde vriendin waren de lippen zo vol dat het een schaduw op de bovenlip wierp. Ze lazen reviews aan elkaar voor van Google over de Pascha en de Ushuaia. Ze droomden hardop over hoe het zou zijn om Yolanthe te zijn. ‘Volgens mij mag je dan serieus elke dag een nieuw jurkje uitzoeken.’
Mijn moeder: ‘Ik glimlachte naar dat meisje achter jou, maar denk je dat die teruglacht?’
Ik vermoedde van niet.
We namen nog een slok van de Wesley-Chardonnay. De wijnglazen waren van Amerikaanse proportie. ‘Niet smakelijk, zo’n bel,’ zei mijn moeder. ‘Wel heerlijke wijn.’
Ik liep naar de wc. Overal spiegels, er zaten golven in het spiegeldbeeld, alsof het alleen een spiegellaag was die ergens op was geplakt. Onder bij de wastafel met waterval lag een dweil met grijze slierten. De wc-rollen lagen op een prullenbakje opgestapeld. De handzeep was in beide houders op. Als de kok maar zeep had in de keuken, dat was het belangrijkste.
We aten sushi als voorgerecht. Het was goede sushi.
De gastvrouw vroeg of we wilden wachten met het hoofdgerecht. Dat wilden we, het was pas negen uur. Voor wat materiaal moesten we hier nog even zitten.
Er kwam een familie binnen van zes mensen. Ze werden aan een ronde tafel gezet, maar waren met te weinig mensen om de tafel rond te maken. Vier stoelen bleven leeg. Twee mannen in het gezelschap, pak ‘m beet 40 jaar, droegen de haren hetzelfde als Xess Xava: de bovenste laag in een knotje, de rest los.
We zaten inmiddels in het donker, alleen bij de voeten scheen rode verlichting, iets wat de fotoreportage voor het blad bemoeilijkte. Mijn moeder maakte opnieuw negen foto’s die ik met de beste wil niet mooi vond. Van de weeromstuit begon ik selfies te nemen.
Het hoofdgerecht stond inmiddels voor ons. Ook dat liet zich in de beperkte hoeveelheid licht moeilijk fotograferen.
Mijn moeder had de orange chickenbesteld: een bord met acht bolletjes kip in een kleverige, oranje saus. Ze kauwde erop alsof ze een eetproef onderging bij een ontgroening.
Ik had wok vegetarianbesteld ter waarde van 34 euro. Zelfs het favoriete gerecht van Wesley –de XaXa Wagyu Burger- was goedkoper: 32 euro. Het wokgerecht bestond uit dikke noedels doordrenkt in een dikke sojasaus met slierten gerookte paprika, bezaaid met sesamzaadjes. Ik dacht aan de tekst op hun website: “XaXa invites you to experience Yolanthe’s and Wesley’s favorite dishes, collected during their travels throughout the world and share in their happiness.”
Ik was benieuwd aan welke reis ze dit hadden overgehouden.
Schuin naast ons overlegde een verliefd stel, 50 jaar, of ze zin hadden in backstagekaarten voor David Guetta. De man had iemand aan de telefoon die het kon regelen.
De achtergrondmuziek –I say a little prayer, Aretha Franklin- was tegen verwachting in zo zacht, dat we alles van elkaar konden horen. Wesley en Yolanthe bleken een belangrijk onderwerp aan tafel.
Achter mijn moeder was er een nieuw stel aan het facetimen geslagen. De blonde vrouw stond op en liep naar de XaXa-boutique met XaXa-merchandise. Haar man had een vriend op zijn beeldscherm: ‘Hé pik, wat heb je een lekker kaal koppie, gast! Weet je waar wij zitten? In het restaurant van Wesley en Yolanthe.’ Hij draaide de camera om het restaurant te laten zien. ‘Volgende keer ga je mee.’
Zijn vriendin kwam terug van de boutique.
Hij draaide de camera naar haar. ‘Daar is ze weer, wat een prachtvrouw heb ik toch hè.’ De vrouw hief haar glas voor de camera.
‘Glenn, we zitten aan de Wesley Sneijder-Primitivo.’ Ze moest het herhalen vanwege een slechte verbinding. Haar man -die de telefoon even voor het gemak in het midden van de tafel tegen het witte bloemenvaasje zette- vroeg aan Glenn: ‘Wat drink jij? Wat, Shiraz? Haha! Dat vind ik altijd net alsof ik aan een zool lik.’
De vrouw: ‘Volgende keer ga je mee, hoor!’
We lieten het hoofdgerecht staan. Mijn moeder keek op haar telefoon. Tien uur.
‘Moeten we hier nog lang zitten?’ vroeg ze. ‘Mijn voetjes beginnen te kloppen.’
Het was een geluk dat ik toen geen Wesley-Chardonnay in mijn mond had.
Nog een halfuur, beloofde ik. Dan zouden we gaan.
Ze leunde met haar hand onder haar kin en keek nog een keer goed om zich heen. Ze zei, zonder haar lippen te bewegen: ‘Niet kijken, maar die tafel achterin heeft het over ons.’
Ik keek om.
Mijn moeder rolde met haar ogen. ‘Onnozele gans.’
Vijf blonde vrouwen van vijftig keken onze kant uit.
‘Is het positief, denk je?’ vroeg ik.
‘Nee, dat denk ik niet, hè, aan de blikken te zien.’
Ze voelde zich er unheimlich door.
Ik liep naar de XaXa Boutique, die was tot twaalf uur ’s nachts geopend. Er waren armbandjes te koop die Yolanthe zelf had gemaakt van kralen. Er waren badpakken en zwembroeken te koop met levensgroot XaXa erop. Volgens de Nederlandse verkoopster gingen ze als warme broodjes over de toonbank, vooral om elf uur ’s avonds, als de gasten hun dessert hadden gehad. De vrouw met het Hotter than hell-shirt paste een badpak met XaXa op de borst. Op Instagram was te zien hoe Yolanthe en haar zus Xelly (Tsjelly) het droegen. De man kwam met hun 3-jarige kijken.
‘Ik heb te grote borsten voor dit badpak,’ zei de vrouw vanachter een zwart gordijn.
De verkoopster: ‘Mag ik even kijken?’
De vrouw: ‘Ja, maar hij is te klein.’
De verkoopster: ‘Maar mag ik even kijken?’
Het gordijn ging open.
De verkoopster: ‘Zo hoort-ie wel, serieus.’
De man: ‘Haha! Ik vind het ook prima zo, doen!’

Van de 220 stoelen, gelezen op de website, waren er 26 bezet. Naast ons waren twee Vlaamse vrouwen komen zitten. De een droeg hoge, zilveren hakken, de ander sandalen met steentjes tussen de tenen, allebei een klein tasje op tafel.|
Ze vonden het eten niet goed.
‘Ik heb geloof ik ook nog geen Rennies bij me,’ zei de ene met een blik in haar tasje. Ze zag dat wij het hoorden en glimlachte. ‘We vinden het eten nie zo goe. Heeft het jullie gesmaakt?’
‘Nee,’ zei mijn moeder resoluut. Blij dat iemand ernaar vroeg. ‘Ik heb het laten staan.’
‘Ik ook,’ zei ik.
Het was een reden om elkaar beter te leren kennen. De ene vriendin stak een hand uit naar mijn moeder: ‘Dafne.’
De ander: ‘Ans.’
Ans was zeer ontevreden geweest over haar ChickenThigh-gerecht, 36 euro. Er zaten twee stukjes kip in. ‘Da’s echt de boel belazeren, é.’
Dafne vond het allemaal opklopperij. Net als het huwelijk van Wesley en Yolanthe. ‘Da’s zo’n huwelijk met heel veel show.’
Wij deden ook een duit in het zakje. We vonden het hier verschríkkelijk.
Het was half elf, we hadden onze tijd uitgezeten. De rekening werd gebracht. Brood (door de Spaanse gastvrouw voorgesteld), sushi, twee hoofdgerechten, vier glazen Wesley-Chardonnay en één espresso: 168 euro.
Mijn moeder zette haar leesbril op. Ze dacht dat ze het niet goed zag.
‘Schandalig,’ was het woord dat ze gebruikte.

Op de donkere, lege parkeerplaats viel een gesprek stil toen we langsliepen. Het waren de twee twintigjarige vrouwen van XaXa, klaar om op stap te gaan. Ze zaten op een bankje en likten aan een ijsje. Mijn moeder en ik glimlachten nu allebei naar ze. Ze glimlachten niet terug.
En toen moesten we nog met onze blauwe Clio langsrijden.
We brachten de terugrit een uur lang in stilte door. We reden over een pikdonker, verlaten Ibiza. Het enige wat mijn moeder nog kwijt wilde, was dat ze het een leuke ontmoeting vond met ‘Dafne en Els.’

Op het hotelbed bekeek ik de rekening nog een keer. Ik las toen pas wat er onderaan stond. Een trap na. ‘XaXa loves you.’

 

Advertenties

Zware kluif

Uit Hard gras 121.

Het ging om de sfeer, zei Henk Spaan. ‘Maak daar maar een verslag van.’
Het was Bevrijdingsdag en Hard gras organiseerde een voetbalevent. Zeven voetbalteams deden mee. De Speld, Fox Sports, Uitgeverij Das Mag, het Hard gras-auteursteam, het Hard gras-lezersteam, FC Sorry en het Hard gras-vrouwenteam.
Het begon als een prachtige dag. De weerapp van de iPhone gaf 26 graden aan. Voor de gelegenheid had ik een hotpants aangetrokken. Meer een kort spijkerbroekje, maar hotpants klinkt wereldser. Thuis had ik erover getwijfeld. Henk Spaan zei eens dat hij knieën heel erg lelijk vindt. Hij noemde die van Kate Moss als voorbeeld; afzichtelijk. Alsof ze er later waren opgezet. Sinds ik dat wist bekeek ik de mijne met andere ogen.

Het event was bij amateurvoetbalclub Wartburgia. Op de velden waren mensen aan het warmlopen. Ik groette Hugo Borst, Herman Koch, en nog wat anderen. Ik zag Özcan Akyol staan. We gaven elkaar drie kussen. Ik ken Eus van voordat hij heel bekend werd. Zes jaar geleden deed ik de PR voor Hard gras. Eus appte me wel eens over bepaalde zaken. Bijvoorbeeld als zijn naam weer eens verkeerd gespeld stond op bol.com. Dan dacht hij dat ik daar invloed op had en appte: ‘Make it disappear.’ Ik stuurde dan iets vervelends terug, in het Nederlands. Eus vond dat ik snel gepikeerd was. Ik was net stagiaire PR geweest bij uitgeverij Ambo Anthos, dus ik was nogal gevoelig voor hiërarchie in die tijd. Inmiddels mogen we elkaar. Ik denk althans dat hij mij ook mag, twee jaar geleden appte hij na jaren stilte dat hij mijn stukjes leuk vond. Ik was erg verguld met zijn bericht.
Henk Spaan kwam van het achterste veld naar ons toe gelopen. Hij keek direct naar mijn knieën. Hij zei niks.
Schrijver Auke Hulst, ingedeeld bij het team van Ambo Anthos, vroeg aan Henk Spaan: ‘Vind je dat nou eerlijk? Om Daniël de Ridder voor het Hard gras-team te vragen?’
‘Jazeker,’ antwoordde Henk.
Hugo Borst was zijn gezicht aan het insmeren, hij prevelde iets over huidkanker. Herman Koch zei dat hij niet aan insmeren deed. Ik vroeg Henk of hij zich al had ingesmeerd. ‘Thuis gedaan,’ zei hij, en liep naar het vrouwenteam.
Ik noteerde: goede sfeer.

Vriendin en schrijver Janneke van der Horst verscheen even na tweeën op het toneel. Ze zei, terwijl ze naar het voetbal keek: ‘Dit is het laatste jaar dat je zoiets kunt dragen.’
Daarna: ‘Is Daniël de Ridder nummer 9?’
Ik zei van ja, zonder dat ik nummer 9 in het vizier had. Het leek me niet dat je hem met iemand kon verwisselen. Zijn donkere haar, donkere huid, donkere ogen, zijn afgetrainde lichaam.
Janneke keek ernaar en zei: ‘Djiezus, dat geloof ik gewoon niet. Dat is toch niet de motoriek van een voetballer?’
Ik haalde mijn schouders op. Ik kon er niet over mee praten.
Zijn vriendin Halina Reijn keek naar hem vanaf het balkon van de voetbalkantine. Ze droeg een jas van lamswol en een zwarte panty. Iedereen pakte op zijn eigen manier uit met deze bloedhitte.
Een paar minuten later kwam Janneke erachter dat nummer 9 niet Daniël de Ridder was. Het was Willem Dieleman, een schrijver die avonturen had beleefd met het bakken van pannenkoeken op reis. Hij had er een boek over geschreven.
‘Ik dácht al!’ ging Janneke verder. ‘Dat kon gewoon niet de beweging zijn van een profvoetballer.’

Willem Dieleman, een lookalike van Daniël de Ridder, maar dan met langer haar, verwisselde iets verderop meteen na de wedstrijd zijn gele Hard-gras shirt voor een rood-wit-shirt.
‘Kom mee,’ zei ik tegen Janneke. Ik had mijn openingszin al klaar.
Ze liep achter me aan. Vlak nadat hij zijn hoofd door het rood-witte shirt stak, zag hij mij voor zich staan. Janneke stond links van me en hield een halve meter afstand.
‘Voor wie ben jij nu eigenlijk?’ vroeg ik hem.
Hij glimlachte. ‘Ik val nu even in bij FC Sorry.’
‘Daar hoef je toch geen sorry voor te zeggen?’ zei ik en keek hem doordringend aan. Ik had mijn zonnebril ervoor afgezet.
‘Gelukkig,’ zei hij zonder te lachen. ‘Ik ga weer even spelen.’
Hij rende weg.
Op links voelde ik de blik van Janneke. Ze wachtte tot ik haar aankeek.
Toen zei ze: ‘Het flirten was duidelijk.’ Ze liet een betekenisvolle stilte vallen.
‘Of je indruk hebt gemaakt betwijfel ik. Je maakte een soort woordspeling, hè. Misschien ben je je humor even kwijt. In het ergste geval is het een periode.’

We liepen naar Herman Koch en Henk Spaan. Henk liep weg. Hij stak het veld over.
Herman sloeg alles gade vanaf de zijkant, hij leunde met een arm op het hek. Af en toe wreef hij met een vinger over zijn linkeroor. Dat zat dicht. Hij moest maandag naar de dokter. Aan iedereen die bij hem kwam staan vroeg hij niet aan de kant van zijn linkeroor te praten. Hij verstond vrijwel niets. Janneke vroeg of je bij het uitspuiten ervan ook daadwerkelijk vuil eruit zag komen.
‘Ha, dit is echte interesse!’ zei Herman.
Sommige schrijvers gebruikten zo’n dag om elkaar bij te praten.
Een prop ontstond bij mensen met te schone oren, wist hij. ‘Weet je wie nooit last hebben van een prop? Zwervers.’

Henk stond aan de overkant het vrouwenteam aan te moedigen, onder wie schrijver Melle Maré. Ze speelde de sterren van de hemel. Ze rende, sprong, dekte meerdere keren Peter Buurman van De Speld. ‘Maak eens een grap!’ riep ze tijdens het dekken. Je dacht bij een voetbalteam van De Speld al snel aan elf gratis cabaretiers. Hugo Borst zou haar later vergelijken met een kind in een wei dat steeds een nieuw madeliefje ziet.
Janneke en ik gingen naast Henk staan. Hij liep weer weg.
‘Henk loopt steeds weg als wij bij hem gaan staan,’ zei Janneke. ‘Kan zijn dat het aan jou ligt. Ik ga zo even alleen bij hem staan, oké?’
Het werd nog een zware kluif, dat sfeerverslag.

Herman en ik stonden naast elkaar in de zon. Daniël de Ridder kwam op ons aflopen. Hij vroeg of een van ons zijn zonnebril kon vasthouden als hij moest voetballen. Herman pakte de bril aan.
‘Waarom vraagt hij Halina niet?’ vroeg ik Herman.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Misschien heeft ze vanochtend de vaat al gedaan.’
We overlegden wanneer we ons eerste biertje zouden nemen. Het was drie uur. Als we nu begonnen waren we om vijf uur misschien al over onze piek heen. Vier uur vonden we een mooie tijd.

Op het rechterveld schreeuwde Glenn Helder naar zijn team om allemaal achter in het veld te gaan staan. Hij zou de bal wel in zijn eentje tegenhouden. Op het linkerveld schoot Zeger van Herwaarden bij het Hard gras-auteursteam de bal in eigen doel. Een van de vrouwen werd naar het ziekenhuis vervoerd. Schrijver Dries Muus kopte met een andere speler een bal over en weer langs de lijn. Ik vroeg of ze een beetje op pasten. ‘Je wordt daar dommer van.’ Dries zei dat hem dat juist fijn leek. Melle miste een makkelijke bal. Hugo en Henk sloegen van frustratie hun handen tegen het hoofd.
Op het linkerveld was de zoveelste wedstrijd bezig, nu tussen Hard gras en Ambo Anthos. Ik stond tussen een paar anderen aan de kant. Janneke schreeuwde rechts van me dingen naar de Hard gras-spelers toe. Hugo deed hetzelfde links voor me. Ik deed alsof ik keek. Ik had zin om te kletsen met mensen die ik lang niet had gezien; iedereen was met het spel bezig. Opvallend veel spelers krabden aan hun zaakje. Er stak een verraderlijke wind op. Ik bood de mensen zonnebrand aan, maar niemand wilde. Kauwgom? Ook niemand. Ik maakte nog wat foto’s van enkele spelers, van Daniël de Ridder onder anderen, en keek of mijn benen ook van achteren kleurden.
Janneke zei: ‘Ik voel me net zo’n moeder die haar zoon staat aan te moedigen.’
Hugo, met zijn vlakke hand boven zijn ogen: ‘Oja? Wie zou jouw zoon dan zijn?’
Ik, in een reflex: ‘Eus, dat kleine dikkerdje.’
Meteen spijt.
Hugo draaide zich geschrokken om en sloeg een kreet uit alsof hij pijn had.
‘OH-O!’ Hij sloeg zijn handen voor zijn open mond. ‘HIJ STAAT NAAST JE! Dat had je niet gezien, of wel?’
Nee, toch? Ik keek naar links. Recht in het gezicht van Eus.
‘Dat wist je niet!’ riep Hugo weer.
‘Jawel hoor,’ zei ik. Ik keek weer naar het veld en dacht: wat zou het fijn zijn als ik even kon verdwijnen. Heel even weg.
‘Wat zei ze?’ vroeg Eus.
Herhaal het niet, ging er door me heen. Hij zou vast nooit meer iets aardigs sturen.
Hugo herhaalde het: ‘Ze zei: Eus, dat kleine dikkerdje.’ (Ik ken Hugo als een behulpzame man, maar ik denk dat hij ook even geen raad wist.)
Ik probeerde op mijn ademhaling te letten.
Eus ging recht voor me staan. Hugo ook. Met zijn tweeën namen ze me op. Ik keek strak voor me uit, langs hen heen, naar de wedstrijd, die interessanter was dan ooit.
Eus zei: ‘Ik ga ook iets lelijks over haar zeggen.’
Hugo: ‘Dat wordt lastig.’
‘Nee hoor. Ik kan zo iets verzinnen.’
Mijn knieën, dacht ik.
Ik deed alsof ik er niet was. Je treedt op zulke momenten als het ware uit je lichaam.
Ik weet niet of ik het me verbeeldde dat Eus zijn hoofd schudde voordat hij weer naast me ging staan.
Ik dacht dat de storm was gaan liggen, maar op rechts stond er nog iemand met feedback. Het was Janneke.
‘Stef, wat is er in hemelsnaam aan de hand vandaag?’ vroeg ze zacht.
‘Ik weet het niet.’
‘Als het nu nog een rake grap was, maar hij was ook helemaal niet de moeite waard. Het enige wat ik aan je bewonder is hoe kalm je blijft. De meeste mensen zouden nu enorm gaan slijmen.’
‘Yep.’
Ik dacht aan wat mijn vader me ooit had geleerd: nooit wrijven in een vlek.

De wedstrijd was afgelopen. Ik liep naar Herman, iets verderop. Ik zei: ‘Het is nu tijd voor bier.’ Daniël de Ridder stond naast hem. Hij wilde geen bier. ‘Ook al is het een amateurwedstrijd, na één biertje kan ik niet meer lekker rennen.’ Herman zei dat hij dat met boksen had. ‘Dan drink ik ook nooit bier van tevoren.’ Ik kwam terug met twee blikjes. Herman stond alleen. Ik vertelde wat er zojuist was gebeurd. Hij gaf een klein knikje, een teken dat hij de situatie vrij snel overzag. Hij zei: ‘Het is een man. Mannen vergeten snel.’
Janneke kwam naar ons toe. Ze was in haar eentje bij Henk gaan staan.
‘En?’ vroeg ik. Ik kon er nu niet veel meer bij hebben.
‘Hij liep weer weg.’
Godzijdank.

De wedstrijden waren afgelopen, de borrel begon. Eus ging meteen naar huis. Janneke ook. Voor de sfeer dronk ik nog een biertje met Melle en Henk. We luisterden naar een verhaal van Hugo. Het ging over iemand van tv. ‘Tussen ons,’ zei hij erbij. Het leek me een leuke anekdote voor in het verslag. Waar moest ik het anders mee gaan vullen.
‘Als je dat doet, ruk ik je kop van je romp,’ zei Hugo. Dat is een Rotterdams gezegde, geloof ik.
Er kwam een meisje naar Hugo toe. Of ze even een selfie mocht maken van hem en haar. ‘Je hebt mijn moeder ontmaagd.’
Hugo was de moeilijkste niet. Het meisje verstuurde de selfie direct naar de familieappgroep. We vroegen wat haar vader ervan vond. ‘Ja, leuk,’ appte die.
We namen nog een slok van ons bier. Ik had Hugo zelden alcohol zien drinken. Hij werd er meteen heel balorig van. Uit het niets gaf hij me zijn lege bierglas. Ik ontplofte. Het werd me allemaal te veel. Henk schaterde het uit. Hugo glimlachte tevreden. Achteraf was ik blij met deze lakmoesproef. Door sommige feministen wist je soms niet meer of je er zelf ook een was.
Ik bracht het daarna alsnog naar de bar.
De borrel eindigde vroeg.

Melle kon amper nog bewegen door de spierpijn. ‘Wacht even,’ zei ze een paar keer toen we naar onze fietsen liepen. Ze liep alsof ze haar knieën niet meer kon buigen. We fietsten een eind samen naar huis. De communicatie verliep stroef. Ik vertelde over hoe ik de band tussen mij en Eus dacht te hebben beschadigd, Melle kermde van de pijn.

Fox Sports won het event trouwens, heb ik me laten vertellen. Ik denk door de tactiek van Glenn Helder. Hij en Daniël de Ridder hebben nooit tegen elkaar hoeven spelen. Het Hard gras-team verloor in de halve finale van Ambo Anthos.

’s Avonds, toen ik op de bank zat, stuurde ik Eus een paar foto’s van hem in voetbaltenue, foto’s waar hij allesbehalve een klein dikkerdje was.
‘Laatst gez. vandaag om 22:50’ stond bovenaan het venster. Ik keek of hij online kwam. Ik dacht aan die keer dat ik was beledigd door de vriend van een vriendin. Hoe hij was gaan slijmen daarna en hoe ik de verkregen macht volledig had misbruikt. Ook toen hij me die avond zijn excuses appte liet ik hem nog twee dagen zweten.
Ik zag mezelf al wakker liggen. Ik vroeg me af of het klopte wat Herman had gezegd: mannen vergeten snel.
Eus kwam online. Hij begon te typen.
Hij schreef: ‘Onze fotograaf. Had je een leuke dag?’

 

Nappus interruptus

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

Soms overkomt het me dat ik ’s nachts dingen zie die er niet zijn of dat ik seconden lang niet weet waar ik ben.

Ik dacht aan die keer dat ik twee weken met vriend R. door Amerika reed. Het maakte hem niet uit welke steden we bezochten, als San Francisco en Palm Springs er maar bij zaten.

In het dorp Palm Springs sliepen we in een motel, met de deur aan de straatkant.
Onze kamer had twee queensizebedden, de deur een koperen draaiknop zoals je die in Amerikaanse films ziet. In al die films had ik nooit gezien dat inbreken moeilijk was.
‘Ga je zo mee naar Toucans Tiki Lounge?’ vroeg R. toen we die avond in een restaurant zaten. ‘Daar hebben ze heel mooie vogels.’

‘Mag ik ook met een boek naar bed?’ vroeg ik.

‘Ah, toe! Dan kun je mijn wingman zijn, jij bent daar goed in.’
Het was rustig in de Toucans Tiki Lounge.
R. en ik namen plaats aan een hoekpunt van de bar. Toen ik een slok van mijn Horny Mule-cocktail nam, kwam er een Engelse Indiër naast me zitten. Voor de beleefdheid werden er twee vragen aan mij gesteld, daarna keek ik naar een soort pingpongwedstrijd tussen R. en de Engelsman.
‘Are you from Amsterdam?’ vroeg de Engelsman. ‘I would lóve to go there one day.’

‘I will show you my bycicle,’ zei die van mij.

De Engelsman kirde van plezier en sloeg zijn hoofd achterover.
‘You have a beautiful laugh, you know that?’ zei R.

Ik had genoeg gewingd.
‘Ik ben ervandoor.’

Na twee bladzijdes viel ik in slaap.

‘s Nachts werd ik wakker van een geluid. De kamer was zwart, nergens zag ik contouren. Ik probeerde te herinneren in welke stad ik was. Iemand rommelde aan de deurknop.
‘Hallo?’ riep ik, afgekeken uit films.
Mijn hart bonsde hard. Na enkele seconden besefte ik dat ik met R. in een kamer lag in Palm Springs. Maar het gevaar leek echt: iemand zat aan de deurknop. Ik zocht naar het licht, tevergeefs.
Met veel gestommel kwam er iemand binnenvallen, op zijn knieën, zag ik in een straal lantaarnlicht van buiten. Het was R. ‘Dat slot doet kut.’

Hij wankelde naar zijn bed en viel op de dekens in slaap.

Door de adrenaline kon ik niet meer slapen.
Ik luisterde naar R’s gesnurk.

‘Hoe is het afgelopen met de Engelsman?’ vroeg ik bij het ontbijt.

‘Hij wilde mee naar onze kamer, ik zei dat wij in aparte bedden sliepen, maar ik dacht dat jij zijn aanwezigheid vervelend zou vinden.’

Ik keek toe hoe hij eigeel van zijn lepeltje likte.
‘Vervelend is het woord niet helemaal,’ zei ik.

 

 

 

De opticien

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

Er stond een nieuw meisje achter de toonbank van mijn opticien. Een Vlaamse.

Ze vroeg: “Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?”

Ik antwoordde dat ik een nieuwe bril nodig had. Niet te duur, want ik droeg hem alleen ’s avonds.
Ze kwam terug met een 3D-geprinte bril van 575 euro.

Ik fronste. “Is dit een van de goedkoopste?”

“Nee, nie echt. Ik heb me in alle eerlijkheid vergiest”.

Ik paste goedkopere brillen, maar ik vond de andere nu niet zo mooi meer als de dure. Het meisje stond erbij en keek wat verlegen naar hoe ik de brillen paste. Ze stond met haar buik tegen de toonbank, haar handen leunden op het blad.

“Werk je hier sinds kort?”, vroeg ik.
“Verplichte stage in Nederland. Jullie zijn heel vooruitstrevend op het gebied van lenzen.”

De eigenaar kwam erbij staan. “Begrijp ik goed dat jij alleen ’s avonds een bril draagt?”, vroeg hij. Hij zette grote ogen op. “Dan ga je toch zeker geen bril van 575 euro kopen?”

Hij liep met een paar passen de winkel door en greep vlug van meerdere wanden een paar monturen. “Allemaal leuke brillen en veel goedkoper”.

“Dit is een heel fijn brilletje, erg geliefd in San Francisco. Als je de ontwerper ziet verwacht je niet dat hij succesvol is, maar zijn brillen vliegen over de toonbank”.

Je ging zo’n bril met heel andere ogen bekijken. San Francisco stond me. En het montuur was nog meer dan de helft goedkoper ook.

“Wanneer wilt ge voor de oogmeting komen?”, vroeg de Vlaamse.

“Zo snel mogelijk”, zei ik.

“Dat wordt dan einde week, vrijdagochtend. Schikt da?”
Er zat ruis op de lijn.

De baas wuifde haar weg achter de computer. “Schuif ‘ns op. De mevrouw die nu bij Dennis zit heeft echt geen drie kwartier nodig. Ga maar tegen Dennis zeggen dat hij opschiet. Dan hoeft mevrouw Hoogenberk niet terug te komen.”

De Vlaamse keek nu verbaasd. “Da meent ge toch nie?”
“Waarom niet? En of ik dat meen. Dennis moet opschieten”.

“Maar da kan ik toch zeker nie zeggen, é?”

“Tuurlijk wel. Je zegt: schiet eens op, Dennis!”.

Het meisje keek nu naar mij. Ik gaf geen sjoege.
Daarna liep ze verdwaasd naar Dennis. Ze vroeg hem mee naar buiten te komen en fluisterde iets in zijn oor.

“Je moet Belgen goed aansturen”, zei de eigenaar. “Toch een heel andere cultuur”.

 

Schietclub

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

Na de eerste date stuurde hij een appje. ‘Ik ben hier niet zo goed in, maar ik zou graag nog een keer afspreken.’
Hij instrueerde me te wachten voor de Jazz Club op het Westergasterrein.
‘Geweldig,’ zeiden vriendinnen, ‘een man die je meeneemt naar een jazzclub.’

Toen ik hem ’s avonds bij de Jazz Club zag, zei hij: ‘We moeten nog een stukje lopen. Je dacht toch niet dat dit het was?’

We kwamen aan bij een verlaten steeg.

‘Hier is het!’

Ik keek naar de lichtplaat boven de deur: ‘Schietclub’.

Ik herinnerde me een aflevering van Expeditie Poolcirkel, waarin een clubje BN’ers moest leren schieten voor als er een ijsbeer hun pad zou kruisen. Wat me was bijgebleven was de terugslag van het geweer en hoe een mannelijke musicalster zeer geëmotioneerd was geraakt van de schrik.

Aan de bar dronken we een glaasje fris; alcohol was verboden voor de les.

De instructeur kwam zich aan ons voorstellen. Hij was nog op zoek naar het andere stelletje. ‘Zo terug!’

Samen met twee achttienjarigen van wie ik de indruk kreeg dat ze elkaar al geruime tijd kenden, gingen we een koude bunker in. Op aanraden van vriendinnen had ik gekozen voor een dun, frivool blouseje. ‘Dat vinden mannen leuker dan een sweater.’ Ik wreef over mijn bovenarmen.

De instructeur ging wijdbeens staan en begon handenwrijvend zijn uitleg.
‘We gaan zo dadelijk een uur lang schieten met drie wapens.’ Hij stak drie vingers in de lucht.

We kregen een glazen bril en gele oorkleppen.
‘Alléén als ik een teken geef mogen ze af, anders verlaten jullie stokdoof deze bunker.’
En: ‘Houd nóóit je vinger voor de loop, want dan ben je ‘m kwijt. Capito?’

Alle vier mochten we tegelijkertijd een revolver leeg schieten.
Tussen ons in waren schotten.

Met mijn ogen dicht schoot ik snel de kogel in de schietschijf. Ik wachtte tot de anderen klaar waren.

De instructeur tikte op mijn schouder. ‘Volgens mij moet jij er nog vijf, jongedame.’
Hij duwde de kamer uit het wapen. ‘Yep.’

De anderen waren al klaar en gingen achter me staan om te kijken.
Om niet te schrikken van de enorme knal hield ik zo stevig mogelijk de revolver vast. Mijn armen trilden.
‘Stop, stop, stop, ik kom je helpen,’ zei de instructeur.
Hij kwam achter me staan en klemde zijn handen om de mijne. We hadden nu samen het wapen vast. Zijn mond was vlakbij mijn oor. ‘Zo gaat ‘ie goed. Móói!’
Mijn date zag ik intussen naar het stelletje kijken, dat elkaar tussen de kogels door vurig kuste.

 

 

Havaianas

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

Altijd als ik eens lekker wil lachen met mijn vriendinnen, vertel ik ze steeds hetzelfde verhaal over mijn ex.
“Stef, vertel nog eens over je ex!”

Gisteren zag ik iemand in de sportschool met zijn spierwitte voeten met moeite op Havaianas-teenslippers lopen.
Daar liep mijn verhaal.
Mijn ex en ik waren voor het eerst in onze twee jaar-durende verhouding op vakantie in Toscane. Er heerste een hittegolf en hij had enkel en alleen zijn nettere vrijetijdskleding meegenomen. Hemden met lange mouw, lange pantalons en suède schoenen met een gespje.

Al bij de eerste lunch zei hij: “Lieverd, deze hitte wordt me te veel.”
“Koop een T-shirt en een paar gympen”, opperde ik.

Terwijl hij enkele winkels bezocht, bleef ik op het terras een tijdschrift lezen.

Een uur later kwam hij terug met precies één aankoop: Havaianas. Die moesten verkoeling bieden aan de voeten. En als je voeten koel waren, werd de rest van je lichaam ook minder warm.
“Heb je dat in de Men’s Health gelezen?”, vroeg ik nog.
Maar volgens hem was het een bekende theorie die je zelf kon bedenken als je logisch nadacht.

Hij vroeg de ober om een schaar, knipte het plastic koordje eraf en stak zijn bleke maat 45 in de teenslippers. De afdruk van zijn sokken in beide enkels verdween onder zijn lange pantalon.
Zijn suède herenschoenen legde hij nog snel op de hotelkamer.

We besloten een eerste rondje door de stad te lopen. De ex kon me niet bijbenen, bleek toen we een tijdje door de straten liepen. Hij had de grootste moeite de slippers aan zijn voeten te houden. Bij iedere stap moest hij zijn grote teen en de teen daarnaast stevig om het plastic teenstuk klemmen.
Een paar keer schoot hij met zijn voet uit de slipper en kwam dan terecht op de ruwe stenen.

Terwijl ik mijn ogen uitkeek in de nieuwe omgeving, hoorde ik hem achter me vloeken. Ik bleef staan, keek achterom en zag hem toen schuivend, alsof het twee langlauflatten betrof, over de ongelijke tegels voortschrijden.

Ik moest me ergens aan vasthouden van het lachen. Uit mijn tas pakte ik mijn telefoon om er een filmpje van te maken.
Hij werd woedend. “HAHAHA!! Hij kan niet op slippers lopen, oh oh oh, wat grappig!”

Met de eerste de beste wifi had ik een ticket terug moeten boeken. In plaats daarvan stuurde ik het filmpje direct naar mijn vriendinnen.

 

 

Anemoontjes

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

Max heette hij, een bijzonder knappe Vlaming. Ik ontmoette hem in Bloemendaal.
Hij kwam uit Herenthout, een dorp vlakbij Antwerpen.

“Ik kan volgende week in Amsterdam geraken, als ge wilt. Dan drinken we ‘ns wat.”

In de loop van de week appte hij dat hij ging duiken in Zeeland, hij kon doorrijden naar Amsterdam, rond half acht.

Ik zat net in bad, het was half zeven, toen ik een bericht van hem ontving:
“Over vijf minuten ben ik er.”
“Je maakt een grap.”, stuurde ik terug. Ik moest mijn haar nog stijlen.
“Ik wacht in Café Treffers als ge nog niet paraat zijt”.

Hij zat aan de bar in een strakke, zwarte broek en een donkerrood capuchonvest. De veters van zijn All Stars strak aangetrokken. Voor hem stond een groot glas bier.
Hij deed me denken aan mijn jeugdvriend Tom.
Ik vroeg waarom hij in Zeeland ging duiken. Wat viel er te zien in die troebele zee?
“Ge kunt allerhande beestjes zien. ‘k Heb prachtige viesjes gezien en anemoontjes.“ De laatste kreeg een s erbij: anemoontsjes.
Duiken was iets wat hij samen met zijn vader deed.
Ik vroeg waar ze na afloop hadden gedoucht.
‘Er is gene douche, we hebben ons naast d’n oto omgekleed. Volgens mij kunt ge ook nog heel goe da rubber van mijn duikpak ruiken’.
Hij hield zijn pols onder mijn neus. De geur van rubber en algen.

‘Ik zat met d’n oto op de A10, en kreeg zo echt het besef van: Wow, zeg! Ik ben gewoon op weg naar een wereldstad, da vond ik echt wel heel tof.’

Ik vertelde over mijn stedentrips naar Nice en Parijs. Hij vertelde over zijn reizen naar Irak en India. In het laatste land was hij ongelofelijk ziek geweest. Er was een bacterie in zijn darm terecht gekomen, waardoor er dagenlang alleen maar water uit hem kwam.

Ik tunede even uit.

‘Max, het spijt me, ik ben gek op iemand die mij niet ziet staan’ loog ik. ‘Ik dacht dat ik toe was aan een date, maar ik heb het geforceerd.’

Hij keek me aan met ogen vol teleurstelling. “Da geeft niet, ik ga dan maar eens op huis aan.”

Buiten spreidde ik mijn armen om hem een knuffel te geven. “Kom hier, Tom.”
Hij trok zich terug uit onze omhelzing en keek me aan.
“Ik heet Max.”

‘Dat bedoel ik; ik ben er nog niet klaar voor.’