De fysio

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

Mijn heup speelde op. Iedere keer als ik had gesport kon ik de dagen erna amper lopen. Ik zocht een fysiotherapeut. Via een vriend kwam ik bij iemand terecht die ook sommige spelers van het Nederlands elftal had behandeld.

Ik hoopte dat hij me met een massage weer op de goede weg kreeg, niet dat ik zelf aan de slag moest met oefeningen.

‘Kom binnen!’
Hij droeg een tanktop en een zilveren schakelketting. Zijn handen waren klam. Hij wees naar de stoel aan zijn bureau. Als ik daar even plaatsnam dan bespraken we de klachten.

‘Trek je broek maar uit,’ zei hij na een paar minuten.

Hij hurkte voor me neer en bekeek mijn knieën, daarna mijn heupen. Er werd aan mijn enkels gevoeld.
‘Mooie nagellak heb je op,’ zei hij. Hij keek me daarbij vanuit kikvorsperspectief aan. Ik bleef recht vooruit kijken. ‘Dank.’

‘Ben je getrouwd?’ vroeg hij.
‘Want dan krijg je last van je heup?’ vroeg ik.
Hij schaterlachte. ‘Ik bedoel meer dat je na het baren last kunt krijgen van je heupen.’

Ik mocht op de tafel gaan liggen met mijn gezicht in het gat van de kunstleren behandeltafel. ‘Ik ga even wat spieren losmaken. Dat kan een beetje een zeurende pijn geven.’
Het was geen zeurende pijn, het was een afschuwelijke pijn.
Ik begon te transpireren. Dat merkte hij op. ‘Ik zie dat je al lekker begint te zweten.’
Weer dat lachen.
‘Tja, het doet misschien pijn, maar je bent nu héél eventjes van mij.’
‘Welke sport doe je eigenlijk?’ vroeg hij nadat hij een minuut lang stil was geweest.
‘Kickboksen,’ antwoordde ik.
‘Kickboksen? Toe maar, tough girl!’ zei hij. ‘Dus als ik nu een verkeerde beweging maak, dan krijg ik een rechtse?’ Hij schaterlachte opnieuw.

Het leek me een retorische vraag; ik antwoordde niets.

‘BOE!’ zei hij plots. Ik opende mijn ogen. Zijn gezicht hing nu onder het mijne. Ik schoot omhoog. Hij lachte weer.
‘Ik vroeg…,’ herhaalde hij, ‘als ik een verkeerde beweging maak, krijg ik dan een rechtste?’
‘Dan krijg je een rechtse inderdaad,’ zei ik.
We waren klaar. Als ik de komende zes weken één keer per week terugkwam, dan moesten de klachten vanzelf overgaan met zijn massages.
Ik verlangde naar oefeningen die je op een blaadje mee naar huis kreeg.
Bij de receptie werd me gevraagd om een vervolgafspraak te maken.
‘De klachten zijn al over’, zei ik. ‘En anders bel ik nog wel.’

Il tone

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

We zouden de overstap in Rome naar Amsterdam ondanks de vertraging in Sicilië mákkelijk halen, zei de stewardess. Maar dat was gelogen, bleek toen we hijgend met zijn drieën bij de gate aankwamen.
Het was zondagavond negen uur. De eerste vlucht ging maandagochtend pas.

Mijn gezelschap was boos.
Mij kwam het goed uit: we hadden om vier uur abrupt de zondagse lunch van het bruidspaar moeten verlaten om naar het vliegveld te gaan. Een ongezellig einde, vond ik.
We stonden voor de servicebalie in Rome.

‘Ik ga even heel erg boos doen tegen deze mensen,’ waarschuwde vriend M.

‘Zal ik alvast bij restaurant Dal Bolognese reserveren, als we hier moeten overnachten?’ vroeg ik.
Hij knikte.

De servicemedewerkster bood ons drie kamers aan in een hotel.
‘You are staying ien Il tone gardine,’ zei ze. ‘it ies the last stop wiez the shuttlebuzz.’

Achter ons stonden twee Rotterdammers, Ron en Ursula, met hetzelfde probleem. Ze konden erom lachen.
‘Nog een extra nachie zonder de kids.’
Vijf stuks om precies te zijn.
‘Daarvoor heb je exen,’ lachte Ron.

Vriend M. bood aan om ook voor hen de schadevergoeding te willen regelen als hij toch bezig was. Er werden nummers uitgewisseld.
‘Slapen jullie ook in het Hilton?’ vroeg Ron.
‘Nee, een of ander Italiaans hotel,’ antwoordde ik.
‘Wij slapen in het Hilton!’ riep Ursula. ‘Ja, echt!’

‘Misschien hebben jullie vriendelijker gehandeld,’ zei M.

Met tientallen andere gedupeerden reden we door een donker en verlaten gebied in een shuttlebus.

Terwijl vrienden M. en P. met Ron en Ursula in gesprek waren, staarde ik uit het raam. Op een donker gebouw, achter een viaduct, zag ik met verlichte letters ‘Hilton’ staan.

‘Jullie moeten er hier uit!’ riep ik.

De bus stopte aan het eind van een lange weg. ‘Jullie moeten even een stukje teruglopen.’

‘Lekker dan,’ zei Ursula. ‘Met onze koffers dat pokkenend in ’t donker terug sjokken.’

Mokkend stapten ze uit.
Tien minuten later kwamen we aan bij de laatste stop en zagen we ons hotel: Hilton Garden Inn.

De buschauffeur riep het om: ‘Prego. Il tone Gardine.’

Ik keek mijn reisgenoten aan; toen pas begon het ons te dagen.

‘Gewoon even een stukje teruglopen,’ deed M. met een vrouwenstem na.

Hij reikte me zijn telefoon aan waarop hij het nummer van Ursula had opgeslagen. ‘Vertel jij het ze maar.’

De telefoon ging niet over.
‘Waarschijnlijk hebben ze geen bereik daar langs de vangrail in the middle of nowhere,’ zei P.
De volgende ochtend troffen we ze in de rij bij de gate.
‘Wij zaten bij het verkeerde Hilton,’ zei Ursula beschaamd. ‘Hoe was dat Italiaanse hotel van jullie?’

 

Afknapper

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

Het was woensdagmiddag. Ik zat te werken op het terras van een koffietent bij mij om de hoek.
“Moet je nu toch eens kijken,” zei de man naast me, gekleed in een witte linnen broek en een witte blouse. Aan zijn riem zat een houder voor zijn telefoon.
Hij liet me zijn glas zien waar een stukje gele korst op zat. “Smerig, toch?”

Ik knikte. “Even tegen het meisje zeggen, lijkt me.”

Dat was hij zeker van plan. Hij sloeg zijn benen over elkaar. Ik zag dat hij schoenen met gaatjes droeg en geen sokken aan had.
“Niet dat het meteen een kutzaak is, hoor. Ik geef iedereen een tweede kans.”

We keken beiden voor ons uit naar langsfietsende mensen. Een man met de kleuren van de Jamaicaanse vlag op zijn shirt verdraaide bijna zijn nek toen hij al fietsend een vrouw nakeek. Hij maakte er een pssst-geluid bij.

“Hoe vind jij dat nou?” vroeg de man naast me. “Vind je dat normaal? Dat doen ze allemaal, die Arubanen!”

“Ach ja, als het daarbij blijft…,” zei ik.

Maar hij vond het denigrerend. Zulke geluiden maakte je alleen naar dieren, niet naar mensen. Hij had ooit met een Arubaanse vrouw iets gehad. Die had haar relatie met hem heel verfrissend gevonden.
“Ik dring me tenminste niet aan vrouwen op.”
Hij hield sowieso meer van internationale vrouwen. De Nederlandse vrouw was zo kil.
“Wat is jouw type?” vroeg hij.

Ik haalde mijn schouders op.
“Een Hollandse boerenknul?”

“Ik denk het,” antwoordde ik.
De twee mensen naast ons luisterden mee met ons gesprek.

Hij vertelde dat hij laatst in een kapperszaak was. Via de spiegel had een Afrikaanse vrouw naar hem zitten lonken. Hij gaf een knipoog, zij een luchtkusje. Daarna was ze naast hem gaan zitten en had een keer door zijn haar gestreken. Ze keken elkaar zonder te knipperen in de ogen aan. Dat zou een Nederlandse vrouw nu nooit doen, zoiets warms.
Toen vroeg ze: “Heb jij een goeie job?”
Ze had er een gebaar bij gemaakt met haar duim en wijsvinger.

“Ik vind Afrikaanse vrouwen dus ongelofelijk sexy, maar ik vind het toch zo’n ontiegelijke afknapper als vrouwen meteen gaan vragen of je een goeie job hebt.”

“Heb je een goeie job?” vroeg ik.

Hij lachte onbedaarlijk hard en prikte met zijn wijsvinger tussen mijn ribben. “Dit vind ik heel erg geestig. Echt waar.”

Hij stak zijn hand naar me uit. “Ik heet Gerard. Aangenaam.”

Gerard was met pensioen, vertelde hij toen hij was uitgelachen.
“Wel ver onder de pensioenleeftijd schat ik zo,” zei ik.
Hij lachte. “Laat ik het zo zeggen: ik val buiten alle regels.”

Moeders

Deze column verscheen eerder in Het Parool. 

Ik had me opgegeven voor een speeddate-event. Er was een teveel aan mannen. Blijkbaar ging het goed met de vrijgezelle vrouw in Amsterdam.

Daarom ging ik op zaterdagavond naar een restaurant met paarse verlichting om twaalf mannen, voornamelijk expats, te ontmoeten.

De vrouwen kregen een vaste plek aan de bar. De mannen moesten steeds per vijf minuten wisselen van plaats.

“Wat wil je drinken?” vroeg de vriendin met wie ik was.
Ik had de hele maand nog geen alcohol gedronken, maar besloot dat nu spontaan te doorbreken.
“Doe maar een cocktail”, zei ik.
“Welke?”
“Doe maar iets, een Bloody Mary met extra Tabasco zonder citroen ofzo”.

Voor me lag een vragenlijst met nogal omslachtige vragen. Zoals: “If you had to go to jail because of one of your bad habits, what would you be thrown in jail for?”

Ik verzon mijn vragen zelf wel.

“Mis je je ouders?”, vroeg ik aan de expats. Een vraag waarmee je meteen lekker de diepte in ging. “En wie het meest, je vader of je moeder?”
Alle Indiërs kozen zonder twijfel voor hun moeder.

Een Poolse expat met wie ik in gesprek was, had een groot stuk van zijn voortand af. De tand had de vorm van een pijl. Hij had vast nog geen tandarts in Amsterdam, maar het voorval bleek te zijn gebeurd toen hij zes was. Wie hij het meest miste? Zijn moeder.
Vijf minuten later zat er een Nederlandse man tegenover me. Hij had zijn mond een beetje open, volledig ontspannen. Iets wat soms te wijten is aan een minder hoog IQ, maar hij bleek advocaat octrooirecht.
Omdat zijn beide ouders gewoon in de buurt woonden, gooide ik het gesprek op zijn schoeisel. Het liet zich het beste vergelijken met zwarte, rubberen surfschoentjes, maar dan met uitgesneden tenen. Als de klauwen van een hagedis.
“Het is veel natuurlijker om je tenen te kunnen bewegen”, was zijn uitleg.
We keken allebei naar zijn voeten.
“Beweeg ze eens”, zei ik.
“Dat doe ik”.
“Ik zie het niet”.

Alleen de Wit-Rus zei niet te kunnen kiezen tussen zijn ouders.
“Je moet!”, zei ik.
“Ik weiger te kiezen!”
“Maar je móet!”, drong ik aan.
Hij zuchtte diep en schudde zijn hoofd: “Mijn moeder”.

In de tram besprak ik de avond met mijn vriendin.
“Als een van die mannen ook maar een beetje op jou lijkt, ligt hij vannacht wakker van schuldgevoel tegenover zijn vader”, zei ze.

De brug

Deze column verscheen eerder in Het Parool.
Het was donderdagavond half zes. De eerste warme dag. Mensen zaten rokend en drinkend op het terras. Ik reed op mijn geweldige, nieuwe omafiets door de stad, die ik net bij iemand van Marktplaats had opgehaald, toen vriendin H. belde dat ze in de buurt was. Of ik zin had om een glas witbier te drinken.

“Kijk! Nieuw!”, zei ik over mijn fiets. “Mooi?”
“Heel mooi! Handig om zo’n krat erop te hebben. Degelijk, dat wel”.

H. zocht alvast een plek in de zon. Ik maakte mijn fiets met een groot kettingslot aan de reling van de brug vast.

“Ik heb al besteld!”, zei ze.
“Met citroen?”, vroeg ik.
Ze knikte.
“Had je goed kunnen afdingen op de fiets?”, vroeg ze.
“Nope. Volle pond.”

Na het tweede witbier bestelden we bitterballen. Twee jongens vroegen of ze misschien aan onze picknicktafel mochten aanschuiven. Tuurlijk! Van ons mocht alles. Vandaag scheen de zon.

H. moest naar de wc. “Jij nog een biertje? Bestel ik het aan de bar”.

Met mijn ogen dicht keek ik naar de zon. De bel van de brug rinkelde. Ik opende mijn ogen en draaide me om. De brug werd opgehaald. De brug waartegen ik mijn fiets had gezet.
Mensen lachten gesmoord.

Mijn fiets bungelde aan de reling.
“Dat wordt een vouwfiets,” hoorde ik naast me.

Een ander: “Welke mongool zet daar nu zijn fiets neer?”

“Een toerist”, antwoordde iemand.

“Of een import-Amsterdammer”. Weer een ander.

Ik zweeg.

H.kwam naar buiten lopen met twee bier in haar handen. Bij het zien van de brug riep ze uit: “STEF!! JE FIETS!”

Ze bleef er staand naar kijken, haar blik van mij en weer naar de brug. Met mijn ogen gebood ik haar te komen zitten. Ze gehoorzaamde. Haar hoofd verborgen in haar handen. Van het lachen. Ik keek om me heen. Een van de jongens naast me aan tafel klopte op mijn schouder. “Het is maar een fiets”.

En toen moest de brug nog dicht. Als die pleziervaart eindelijk voorbij was.

De krat was niet tegen de zwaartekracht opgewassen. Hij viel eraf en gleed langzaam van het asfalt naar beneden.
De brug ging dicht. Mensen gingen verder met eten en drinken.
H. ging de situatie van dichtbij bekijken. De schade: het voorwiel was verdwenen en het frame verbogen.

Zelf ging ik een andere keer kijken. Morgenochtend ofzo. Als iedereen nog sliep.

 

De buurman

De buurman wilde met me praten. Het begon met een appje waarop ik niet wist hoe te reageren. Daarom stuurde ik maar niets terug.

Hooooi Als jij je bad vult hoor ik 20 minuten de waterleiding lopen met een soort van zzzzzzmmmm Heel irritant. Kan jij niet helpen. Maar is vaak vanwege je badfetish. Ik stel binnenkort een oplossing voor want gezoem ben ik nu beu. Sorry……

Met binnenkort bedoelde hij twee dagen later.
Salut ben je zo thuis, ff voor een babbeltje?” appte hij. En: “Ik heb ook ideejen. Voor mijn ietwat bozige berichtje v laatst….

Ik zag voor me dat ik met een lampetkan in de weer moest.

Er werd op mijn voordeur geklopt. “Kan ik even binnenkomen?”

Hij verontschuldigde zich direct voor zijn lip. Ik zag een grote donkere korst.
“Koortslip?”, vroeg ik.
“Nee, ik heb me verbrand aan een bitterbal zaterdagavond.”
“Een eerstegraadsbrandwond dus”, grapte ik.
“Nou, serieus. Een tweedegraadsbrandwond. Ik kreeg van het horecapersoneel een drankje aangeboden, maar ja, wat kunnen ze verder doen… Kreeg een wijntje. Zo gaan die dingen.” Hij maakte er een wegwuifgebaar bij.
Ik dacht aan een spreekwoord dat mijn vader me heeft geleerd: beter te hard geblazen dan de mond gebrand. Het leek me de verantwoordelijkheid van de consument; dat blazen.

We liepen verder. “O, god ja, ik moet ook nog opruimen”, zei hij toen hij de woonkamer in keek.

Ik wees naar de bank, als uitnodiging om erop te zitten. Hij pakte een boek dat naast hem lag. “Leuke schrijver, Michel Houellebecq! Ben je deze aan het lezen?”
“Net begonnen”, zei ik.
“Leuk! Goede schrijver. Gehoord althans, heb niks van hem gelezen.”

Maar goed, het probleem. Iedere keer als ik in bad ging –elke avond- hoorde hij de waterleidingen onder zijn vloer rommelen. Een heel vervelend geluid. Hij stond op en liep naar mijn slaapkamer om daar op de muren te kloppen. “Ja, volgens mij lopen ze hier ook door”, zei hij. “Ik lijk wel een makelaar, joh.”

“Wat we kunnen doen: ik laat Casper er even naar kijken, de Cv-monteur.” De kosten waren op zijn rekening. Het moest geen heel gedoetje worden, maar als het even kon zag-ie graag dat de leidingen werden verlegd.

“Heb jij nog last gehad van mij, lately?” vroeg hij toen hij achterstevoren naar de deur liep. “Nee? Niks speciaals gehoord?” Ik schudde van niet.

Ik had allang gehoord dat-ie een nieuwe vriend had.

 

Small talk

Mijn fysiotherapeut draagt me over aan zijn stagiair, die beneden in de sportzaal een paar oefeningen met me gaat doen. Hij kijkt op een blaadje waar de oefeningen op staan afgebeeld.

“Even spieken, je mag crunches doen, dus om de beurt je linkerbeen en rechterbeen naar voren.”
Ik concentreer me op de crunches en staar recht voor me uit. De stagiair tuurt naar buiten. “Zo, volgens mij is het behoorlijk warm buiten, of niet?”
“Ja”, zeg ik, waarbij ik lucht door mijn neus laat ontsnappen omdat ik niet wil laten merken dat ik al een beetje moet hijgen bij deze oefening.
“Had je vrij vandaag, of niet?”, vraagt hij.
“Nee, ik heb vanochtend gewerkt. Maar ik freelance, dus ik kan zelf mijn tijd bepalen.”
“Oeh, dat is wel heel fijn. Kun je ook nog lekker van het weertje genieten.”
“Ja, zeker.” Weer met ingehouden adem.
“Even spieken.” Hij kijkt opnieuw op het blaadje. “Je mag nu planken. Die oefening ken je?”
Ik knik en ga in de juiste positie op de grond liggen. De oefening vergt veel inspanning.
“Mooi!”, zegt de stagiair. “Héél mooi.”
Ik vraag me af hoe mooi je kunt planken.
“En morgen? Heb je dan ook lekker vrij?”
“Nee”, antwoord ik nu hijgend. “Morgen werken.”
“En je schreef teksten voor… wat was het ook alweer? Dat sportevent toch?”
“Klopt.”
“En ga je ook nog even spieken daar?”
“Er valt niks te spieken, het volgende event is pas in september.”
“Ja, precies.”
Hij kijkt op zijn blaadje voor tientallen seconden, en denkt na zoals je in striptekeningen mensen ziet nadenken: de wijsvinger op de mond en de blik naar boven.
“Je mag even op de grond gaan liggen, en dan til je steeds één been omhoog. Dan gaan we je core wat steviger maken.”
“Doe ik het zo goed?” vraag ik. De oefening lijkt wat simpel.
“Uitstekend zelfs!” zegt hij. “Kijk, die spier zegt eigenlijk: ‘Weet je wat, ik heb even geen zin meer. Bekijk het maar; ik doe even helemaal niets.’ En daardoor krijg je die pijn.”
Er valt een stilte, maar niet voor lang.
“En heb je straks ook lekker vakantie?”
“Als freelancer heb je het soms druk en soms rustiger, dus dat zijn dan een beetje de vakanties.”
“Ja, precies. Maar je gaat niet nog naar een warm land ofzo?”
“Naar Barcelona ga ik.”
“Zo! Toe maar! Dat is wel héél erg lekker, zeg. Barcelona! Me dunkt!”
Ik glimlach. We zijn klaar.

“Je mag weer lekker naar buiten! Ik zie je volgende week!”

De reservering

Per toeval stuitte ik op een paar zeer kwaadaardige recensies over een Italiaans restaurant in de Pijp. Ik las ze op iens. Elke recensie kwam ongeveer op hetzelfde neer: het eten was verrukkelijk bij L’angoletto maar de service abominabel. Mensen waren geschoffeerd door de eigenaar of in sommige gevallen zelfs gesommeerd het pand te verlaten nadat ze klaagden over te rood vlees. Iets wat me enorm triggerde. Mijn vriendinnen ook; ik mocht reserveren.

Op mijn iPhone zocht ik het restaurant op en klikte direct op ‘Bel’.
“Pronto!”, klonk er aan de andere kant van de lijn.
“Hallo, u spreekt met Stephanie, ik wil graag reserveren voor komende vrijdag voor 4 personen.”
“Parla Italiano!!”
Wat verwachtte de man? Dat iedere gast het Italiaans machtig is? Ik besloot over te gaan op Engels.
“Can I make a reservation for 4 persons this Friday?”
“A che ora?” vervolgde hij.
Ik antwoordde dat ik graag ‘at 8 o’clock’ wilde komen.
“Fino a Venerdì!” en hij hing op zonder dat ik nog iets kon zeggen.

Via what’s app maakte ik de vriendinnen deelgenoot: “Zelfs aan de telefoon is-ie superbot. Hij vroeg of ik Italiaans wilde spreken!” Idioot vonden we het, maar het beloofde veel.
Het was een warme zomeravond, de meeste gasten zaten buiten, ook omdat binnen maar zo’n 6 tafels stonden. Ik liep naar binnen om me te melden voor de reservering.
“We reserveren niet voor minder dan 6 personen”, zei de serveerster. Dat leek me sterk, zei ik. “Ik heb gisteren gebeld en het was in orde.”
“Wie had je aan de lijn, een man of een vrouw?”
“Een man”, zei ik, “Hij sprak Italiaans.”
“Dat moet de eigenaar zijn geweest”, antwoordde het meisje, “Maar hij zal nooit een reservering aannemen voor 4 personen.”

Dit getuigde van wel zo’n enorme botheid, dat ik me afvroeg of we dit wel moesten willen. Ik liep naar de anderen die buiten hoopvol stonden te wachten en deelde mee dat er geen reservering was genoteerd. Alle vier boos. Het meisje kwam op ons af lopen voor nadere uitleg: “Het spijt me echt, maar we hebben niets doorgekregen en ik heb over 2 uur pas weer plek. Je weet zeker dat je niet ergens anders hebt gereserveerd?”
Alsof! Ik zei dat ik niet gek was en probeerde kalm te antwoorden dat we ergens anders gingen eten. Mijn onderlip trilde daarbij.
Elk restaurant erna werd met grote teleurstelling bekeken, maar we beseften snel dat we blij mochten zijn als we überhaupt nog ergens plek kregen op een avond als deze. Buiten.

Terwijl de drie zich uitlieten over wat voor een K-tent het was en hoe we wraak gingen nemen
– er werden plannen gemaakt om vanaf nu elke vrijdag voor minstens 12 personen te reserveren onder een valse naam – keek ik heimelijk op mijn iPhone en toetste nogmaals de naam van het restaurant op Google in. En toen zag ik waar ik blindelings op had geklikt: L’angoletto. Piazza Rondanini in Rome.

Alle woede weg.

Erna probeerde ik met gespeelde furie weer mee te doen in het gesprek met de rest.
“Ja, echt bélachelijk!”

TV-recensie Missie Max

Waar deze week geen hond naar keek…

Je zult uitgezonden zijn naar Afghanistan en Jan Slagter het terrein op zien lopen. Dan heb je een PTSS’je nog voordat er ook maar een bom is gevallen. Slagter is er om videoboodschappen over te brengen uit Nederland en vice versa op een iPad. De man zegt werkelijk de zotste dingen: ”Ondanks de hoge temperaturen zijn het lange dagen voor de militairen.” En: ”De avond valt in Gao, tijd om naar bed te gaan. Maar ook ’s avonds willen de militairen een groet doen”. Zinsconstructies die populair zijn bij zowel militair als presentator: ”Ik zou zeggen, pak de camera!” Militair tegen de thuisblijvers: ”Ik zou zeggen, kop op, hou je taai!”. Na elke boodschap vraagt Jan aan de jongens of zo’n boodschap iets met ze doet, terwijl hij zijn voorhoofd dept met de achterkant van zijn hand. Ja, dat doet wel wat met iedereen. Op de vraag wát het dan precies doet, antwoordt er een dat het hem doet denken aan thuis. Zulke antwoorden krijg je ervan. Ondanks de bloedhitte in Afghanistan, is het programma niet het kijken waard.

Mijn moeder en ik      ***

In dit programma interviewt Frenk van der Linden bekende mensen over de band met hun moeder. In de eerste aflevering zie je de relatie tussen Tommy Wieringa en zijn moeder. Wieringa was vroeger verliefd op de zijne. Beeldschoon, dominant, glorieus en aanwezig, zo omschrijft hij haar. En hij straalt als ’ie het over haar heeft. Van der Linden stelt de juiste vragen: ”Was ze ook verliefd op jou?”. De schrijver lacht. ”Ze zei ooit dat ze al toen ik nog in de wieg lag jaloers was op de vrouw die ik ooit zou krijgen”. Doet denken aan een Griekse mythe. Maar welke? Voor zijn negende jaar heeft ’ie zelfs geen herinneringen aan zijn vader. Wat er dan voor gezorgd heeft dat Wieringa vanaf zijn elfde bijna 25 jaar amper contact met haar had? Daarvoor kijk je deze serie.

Mijn stad                    ***

Ik vroeg me al enige tijd af waar Daan Nieber was na het geflopte CQC, maar eindelijk heb ik hem weer in het vizier. Daan bezoekt wekelijks een stad in Nederland. Plusje voor het idee, want aan die exotische oorden van Floortje Dessing hangt nogal een prijskaartje. De presentator gaat bijvoorbeeld naar ’s-Hertogenbosch, waarvan hij vindt dat je je in een sprookjesachtige omgeving waant. Zoiets zeg je volgens mij eerder over een stad als Marrakech. Of Alkmaar, als je dan toch eentje in Nederland moet noemen. Samen met twee ”locals” gaat ’ie op pad: Sarah en Jacques.
”Dit is wel echt te gek, zeg, hey”, zegt de presentator als ’ie Sarahs vintagewinkeltje bezoekt. Daarna filmt Sarah haar eigen gezicht met de camera terwijl ze ronddraait. Ter introductie. Local Jacques doet hetzelfde. Is het normaal dat mensen rondjes draaien met een camera? De presentator wil met Jacques gaan ”barhangen”, maar Jacques heeft een eigen willetje: hij wil z’n nieuwe vriend een Bossche Bol laten proeven. De Brabander laat een schitterend hotel zien.
”Zo, dit is wel echt te gek zeg, hey!”. Daan weer. Hij sluit af met de tekst dat hij en Jacques dan eindelijk maar eens gaan barhangen.
Sommige programma’s lenen zich uitstekend voor een zondagmiddag of voor als je 41 graden koorts hebt. Dit is zo’n parel.

Mijn moeders verjaardag

Omdat mijn moeder jarig was, reisden mijn vader en zij af naar Amsterdam om het samen met mij te vieren. Ik besloot te reserveren bij restaurant Moeders op de Rozengracht. Daarvan had ik gehoord dat het eten lekker is en dat ze jarige moeders in het zonnetje zetten.

Alle wanden in restaurant Moeders hingen vol met foto’s van moeders. Foto’s van mooie moeders, maar ook heel lelijke. Er was me bij de reservering gevraagd er ook een mee te nemen van de mijne. Gezellig, vond ik. En ik vinkte nietsvermoedend het vakje ‘Mijn moeder is jarig’ aan. Bij de Xenos kocht ik nog snel een lijstje; mijn vader nam het printen van een goede foto op zich.

Onder de tafel hannesten we met zijn tweeën om de foto erin te krijgen. De geprinte foto was in A4-formaat, het lijstje was 10×15 cm. Mijn moeder, met de vraag wat we in godsnaam aan het doen waren, negeerden we.
“Och nee”, zei ze toen ze het resultaat zag. “Jullie kiezen altijd zó’n lelijke foto van mij. Ongelofelijk!” Ik zei dat ‘ie ergens aan de wand kwam te hangen.
“Nee, nee, nee! Kom. Ik stuur later wel een goede foto op, maar deze krijgen ze niet.”

En toen begon het. Het licht ging uit, de muziek ging aan en drie obers kwamen al dansend en zingend en wild met hun armen zwaaiend uit de keuken op ons af. De voorste had een flikkerster in de stamppot.  
Mijn vader schrok, uit zijn gezicht trok alle kleur, hij dekte zijn gezicht met zijn hand af naar de rest van de zaak en zei: “Dit is toch niet voor ons hè?”. Mijn moeder, mijn vader en ik knalrood. Alledrie knalrood. De hele zaak klapte ‘lang zal ze leven’. Dit had ik ook niet verwacht.

“VAN HARTE GEFELICITEERD!”, riep het personeel in koor. Een van de obers overhandigde twee cadeautjes. Een zeepje en een roze notitieblok.
“Wat ontzettend leuk, dankjewel”, zei mijn moeder met een gezicht dat nagloeide.

Of ik dat van tevoren wist, vroeg mijn vader. En of dit het was.

Ik antwoordde dat er op de website staat dat je ook nog in een polonaise naar buiten werd begeleid.

“Dan ben ik nu weg.”