Schietclub

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

Na de eerste date stuurde hij een appje. ‘Ik ben hier niet zo goed in, maar ik zou graag nog een keer afspreken.’
Hij instrueerde me te wachten voor de Jazz Club op het Westergasterrein.
‘Geweldig,’ zeiden vriendinnen, ‘een man die je meeneemt naar een jazzclub.’

Toen ik hem ’s avonds bij de Jazz Club zag, zei hij: ‘We moeten nog een stukje lopen. Je dacht toch niet dat dit het was?’

We kwamen aan bij een verlaten steeg.

‘Hier is het!’

Ik keek naar de lichtplaat boven de deur: ‘Schietclub’.

Ik herinnerde me een aflevering van Expeditie Poolcirkel, waarin een clubje BN’ers moest leren schieten voor als er een ijsbeer hun pad zou kruisen. Wat me was bijgebleven was de terugslag van het geweer en hoe een mannelijke musicalster zeer geëmotioneerd was geraakt van de schrik.

Aan de bar dronken we een glaasje fris; alcohol was verboden voor de les.

De instructeur kwam zich aan ons voorstellen. Hij was nog op zoek naar het andere stelletje. ‘Zo terug!’

Samen met twee achttienjarigen van wie ik de indruk kreeg dat ze elkaar al geruime tijd kenden, gingen we een koude bunker in. Op aanraden van vriendinnen had ik gekozen voor een dun, frivool blouseje. ‘Dat vinden mannen leuker dan een sweater.’ Ik wreef over mijn bovenarmen.

De instructeur ging wijdbeens staan en begon handenwrijvend zijn uitleg.
‘We gaan zo dadelijk een uur lang schieten met drie wapens.’ Hij stak drie vingers in de lucht.

We kregen een glazen bril en gele oorkleppen.
‘Alléén als ik een teken geef mogen ze af, anders verlaten jullie stokdoof deze bunker.’
En: ‘Houd nóóit je vinger voor de loop, want dan ben je ‘m kwijt. Capito?’

Alle vier mochten we tegelijkertijd een revolver leeg schieten.
Tussen ons in waren schotten.

Met mijn ogen dicht schoot ik snel de kogel in de schietschijf. Ik wachtte tot de anderen klaar waren.

De instructeur tikte op mijn schouder. ‘Volgens mij moet jij er nog vijf, jongedame.’
Hij duwde de kamer uit het wapen. ‘Yep.’

De anderen waren al klaar en gingen achter me staan om te kijken.
Om niet te schrikken van de enorme knal hield ik zo stevig mogelijk de revolver vast. Mijn armen trilden.
‘Stop, stop, stop, ik kom je helpen,’ zei de instructeur.
Hij kwam achter me staan en klemde zijn handen om de mijne. We hadden nu samen het wapen vast. Zijn mond was vlakbij mijn oor. ‘Zo gaat ‘ie goed. Móói!’
Mijn date zag ik intussen naar het stelletje kijken, dat elkaar tussen de kogels door vurig kuste.

 

 

De brug

Deze column verscheen eerder in Het Parool.
Het was donderdagavond half zes. De eerste warme dag. Mensen zaten rokend en drinkend op het terras. Ik reed op mijn geweldige, nieuwe omafiets door de stad, die ik net bij iemand van Marktplaats had opgehaald, toen vriendin H. belde dat ze in de buurt was. Of ik zin had om een glas witbier te drinken.

“Kijk! Nieuw!”, zei ik over mijn fiets. “Mooi?”
“Heel mooi! Handig om zo’n krat erop te hebben. Degelijk, dat wel”.

H. zocht alvast een plek in de zon. Ik maakte mijn fiets met een groot kettingslot aan de reling van de brug vast.

“Ik heb al besteld!”, zei ze.
“Met citroen?”, vroeg ik.
Ze knikte.
“Had je goed kunnen afdingen op de fiets?”, vroeg ze.
“Nope. Volle pond.”

Na het tweede witbier bestelden we bitterballen. Twee jongens vroegen of ze misschien aan onze picknicktafel mochten aanschuiven. Tuurlijk! Van ons mocht alles. Vandaag scheen de zon.

H. moest naar de wc. “Jij nog een biertje? Bestel ik het aan de bar”.

Met mijn ogen dicht keek ik naar de zon. De bel van de brug rinkelde. Ik opende mijn ogen en draaide me om. De brug werd opgehaald. De brug waartegen ik mijn fiets had gezet.
Mensen lachten gesmoord.

Mijn fiets bungelde aan de reling.
“Dat wordt een vouwfiets,” hoorde ik naast me.

Een ander: “Welke mongool zet daar nu zijn fiets neer?”

“Een toerist”, antwoordde iemand.

“Of een import-Amsterdammer”. Weer een ander.

Ik zweeg.

H.kwam naar buiten lopen met twee bier in haar handen. Bij het zien van de brug riep ze uit: “STEF!! JE FIETS!”

Ze bleef er staand naar kijken, haar blik van mij en weer naar de brug. Met mijn ogen gebood ik haar te komen zitten. Ze gehoorzaamde. Haar hoofd verborgen in haar handen. Van het lachen. Ik keek om me heen. Een van de jongens naast me aan tafel klopte op mijn schouder. “Het is maar een fiets”.

En toen moest de brug nog dicht. Als die pleziervaart eindelijk voorbij was.

De krat was niet tegen de zwaartekracht opgewassen. Hij viel eraf en gleed langzaam van het asfalt naar beneden.
De brug ging dicht. Mensen gingen verder met eten en drinken.
H. ging de situatie van dichtbij bekijken. De schade: het voorwiel was verdwenen en het frame verbogen.

Zelf ging ik een andere keer kijken. Morgenochtend ofzo. Als iedereen nog sliep.