Havaianas

Deze column verscheen eerder in Het Parool.

 

Altijd als ik eens lekker wil lachen met mijn vriendinnen, vertel ik ze steeds hetzelfde verhaal over mijn ex.
“Stef, vertel nog eens over je ex!”

Gisteren zag ik iemand in de sportschool met zijn spierwitte voeten met moeite op Havaianas-teenslippers lopen.
Daar liep mijn verhaal.
Mijn ex en ik waren voor het eerst in onze twee jaar-durende verhouding op vakantie in Toscane. Er heerste een hittegolf en hij had enkel en alleen zijn nettere vrijetijdskleding meegenomen. Hemden met lange mouw, lange pantalons en suède schoenen met een gespje.

Al bij de eerste lunch zei hij: “Lieverd, deze hitte wordt me te veel.”
“Koop een T-shirt en een paar gympen”, opperde ik.

Terwijl hij enkele winkels bezocht, bleef ik op het terras een tijdschrift lezen.

Een uur later kwam hij terug met precies één aankoop: Havaianas. Die moesten verkoeling bieden aan de voeten. En als je voeten koel waren, werd de rest van je lichaam ook minder warm.
“Heb je dat in de Men’s Health gelezen?”, vroeg ik nog.
Maar volgens hem was het een theorie die je zelf kon bedenken als je logisch nadacht.

Hij vroeg de ober om een schaar, knipte het plastic koordje eraf en stak zijn bleke maat 45 in de teenslippers. De afdruk van zijn sokken in beide enkels verdween onder zijn lange pantalon.
Zijn suède herenschoenen legde hij nog snel op de hotelkamer.

We besloten een eerste rondje door de stad te lopen. De ex kon me niet bijbenen, bleek toen we een tijdje door de straten liepen. Hij had de grootste moeite de slippers aan zijn voeten te houden. Bij iedere stap moest hij zijn grote teen en de teen daarnaast stevig om het plastic teenstuk klemmen.
Een paar keer schoot hij met zijn voet uit de slipper en kwam dan terecht op de ruwe stenen.

Terwijl ik mijn ogen uitkeek in de nieuwe omgeving, hoorde ik hem achter me vloeken. Ik bleef staan, keek achterom en zag hem toen schuivend, alsof het twee langlauflatten betrof, over de ongelijke tegels voortschrijden.

Ik moest me ergens aan vasthouden van het lachen. Uit mijn tas pakte ik mijn telefoon om er een filmpje van te maken.
Hij werd woedend. “HAHAHA!! Hij kan niet op slippers lopen, oh oh oh, wat grappig!”

Met de eerste de beste wifi had ik een ticket terug moeten boeken. In plaats daarvan stuurde ik het filmpje direct naar mijn vriendinnen.

 

 

De brug

Deze column verscheen eerder in Het Parool.
Het was donderdagavond half zes. De eerste warme dag. Mensen zaten rokend en drinkend op het terras. Ik reed op mijn geweldige, nieuwe omafiets door de stad, die ik net bij iemand van Marktplaats had opgehaald, toen vriendin H. belde dat ze in de buurt was. Of ik zin had om een glas witbier te drinken.

“Kijk! Nieuw!”, zei ik over mijn fiets. “Mooi?”
“Heel mooi! Handig om zo’n krat erop te hebben. Degelijk, dat wel”.

H. zocht alvast een plek in de zon. Ik maakte mijn fiets met een groot kettingslot aan de reling van de brug vast.

“Ik heb al besteld!”, zei ze.
“Met citroen?”, vroeg ik.
Ze knikte.
“Had je goed kunnen afdingen op de fiets?”, vroeg ze.
“Nope. Volle pond.”

Na het tweede witbier bestelden we bitterballen. Twee jongens vroegen of ze misschien aan onze picknicktafel mochten aanschuiven. Tuurlijk! Van ons mocht alles. Vandaag scheen de zon.

H. moest naar de wc. “Jij nog een biertje? Bestel ik het aan de bar”.

Met mijn ogen dicht keek ik naar de zon. De bel van de brug rinkelde. Ik opende mijn ogen en draaide me om. De brug werd opgehaald. De brug waartegen ik mijn fiets had gezet.
Mensen lachten gesmoord.

Mijn fiets bungelde aan de reling.
“Dat wordt een vouwfiets,” hoorde ik naast me.

Een ander: “Welke mongool zet daar nu zijn fiets neer?”

“Een toerist”, antwoordde iemand.

“Of een import-Amsterdammer”. Weer een ander.

Ik zweeg.

H.kwam naar buiten lopen met twee bier in haar handen. Bij het zien van de brug riep ze uit: “STEF!! JE FIETS!”

Ze bleef er staand naar kijken, haar blik van mij en weer naar de brug. Met mijn ogen gebood ik haar te komen zitten. Ze gehoorzaamde. Haar hoofd verborgen in haar handen. Van het lachen. Ik keek om me heen. Een van de jongens naast me aan tafel klopte op mijn schouder. “Het is maar een fiets”.

En toen moest de brug nog dicht. Als die pleziervaart eindelijk voorbij was.

De krat was niet tegen de zwaartekracht opgewassen. Hij viel eraf en gleed langzaam van het asfalt naar beneden.
De brug ging dicht. Mensen gingen verder met eten en drinken.
H. ging de situatie van dichtbij bekijken. De schade: het voorwiel was verdwenen en het frame verbogen.

Zelf ging ik een andere keer kijken. Morgenochtend ofzo. Als iedereen nog sliep.